Het is niet onze pijn
Je houdt van iemand, je ziet haar langzaam aftakelen, en je kunt niets doen. Wilma’s zus Anne drinkt al vanaf haar veertiende. Na jaren van hoop en vrees heeft Wilma iets moeten accepteren wat bijna niet te accepteren is: ze kan haar zus niet redden. Alleen Anne kan dat zelf.
Ik ben Wilma. Samen met mijn zussen Anne, Petra, Jacq en Monique en mijn broer Arie ben ik opgegroeid in een gezin waar het niet altijd veilig voelde. Hierdoor zijn we als zussen en broer hecht geworden. Anne is verslaafd aan alcohol, en dit is mijn verhaal. Of eigenlijk net zo goed ons verhaal, want het gaat ook over wat het doet met de mensen om haar heen.
Mijn vader, inmiddels overleden, was echt ‘de man’ van het gezin. Zijn wil was wet en wij waren bang voor hem. Anne was denk ik wel zijn lieveling. Ze was in zijn ogen van ons allemaal de knapste en de slimste. Anne heeft als fotomodel gewerkt. Misschien voelde ze daardoor wel de druk om dat altijd te blijven: de mooiste, de favoriete, degene bij wie alles goed ging. Een beeld dat steeds zwaarder werd om vast te houden.
Bij ons thuis werd drinken als heel normaal gezien. Mijn moeder dronk, en drinkt nog steeds meer dan gemiddeld. En zoals in zoveel gezinnen hadden we allemaal onze trauma’s. Anne heeft altijd moeite gehad om met haar gevoelens, angsten en emoties om te gaan. Ze heeft het nodige meegemaakt — verraad, liefdesverdriet, nare dingen. Voor haar werd alcohol een manier om niet te hoeven voelen.
“Wij leefden van hoop naar vrees en weer terug.”
Ze begon al op haar veertiende. Het ging geleidelijk. Overdag dronk ze niet, ’s avonds thuis wel. En daarna steeds vaker, en steeds meer. Anne is heel goed in het opzetten van een masker, in ontkennen en in liegen. Toen het bedrijf van mijn vader gedwongen verkocht werd, was het hek van de dam. Ze dronk zoveel dat ze zichzelf meerdere malen in een delirium dronk, en meer dan eens is het goed misgegaan. Wij leefden van hoop naar vrees en weer terug.
Het pijnlijkste is dat je iemand ziet aftakelen van wie je nog precies weet hoe ze wás en had kunnen zijn. Ze had zo anders ouder kunnen worden.
Anne is lange tijd een functioneel alcoholist geweest. Ze kon overdag gewoon werken en haar verslaving voor de buitenwereld verborgen houden — ook al wisten wij, haar naasten, allang hoe het zat. Zelf vindt ze dat ze geen probleem heeft met alcohol. Haar lichaam kan het echter niet meer aan. Ze wordt in augustus 55 en heeft inmiddels overdag zulke sterke ontwenningsverschijnselen dat het op haar werk is opgevallen. Ze trilt, ze vergeet dingen. Ze valt door de mand. Haar werkgever heeft geëist dat ze hulp zoekt, anders raakt ze haar baan kwijt. Pas toen is ze naar de huisarts gegaan, en nu gaat ze naar AA-bijeenkomsten. Tenminste, dat hoop ik. Ik heb eraan gedacht haar te controleren, of ze wel echt naar de AA-bijeenkomsten gaat, maar wat heeft dat voor zin? Als ik haar moet confronteren, zal ze wel haar excuses of leugens hebben, en als ze niet gaat, is dat haar verantwoordelijkheid. Haar keuze. Als ze gaat, is dat omdat het moet. Niet omdat ze het zelf wil. Dat is het allermoeilijkste om onder ogen te zien: Anne wil niet stoppen.
“Ik zal voor je zorgen op je sterfbed.”
Ze belt me weleens als ze gedronken heeft, en de volgende keer is ze vergeten dat ze gebeld heeft, of zelfs dat ze gedronken had. Een keer vertelde ze dat ze drie liter had weggedronken. Dan kun je haar niet eens meer verstaan, dan is het wartaal, en ze heeft het zelf niet door.
Op een keer vroeg ik haar recht voor zijn raap: “Wil je eigenlijk wel stoppen met drinken?” “Nee,” zei ze, “ik wil nog kunnen blijven drinken op een feestje.” Dat was het moment dat het tot me doordrong: het heeft geen zin. Ze gáát door. Het is haar keuze. Ik heb tegen haar gezegd: “Jij wilt blijven drinken. Fijn dat je eerlijk bent — want normaal lieg je. Ik zal dan voor je zorgen op je sterfbed.” Toen werd het stil. Daar viel niks meer tegenin te brengen.
“Je kunt haar niet helpen. Ze kan alleen zichzelf helpen.”
We zijn ooit met mijn zussen naar een informatiebijeenkomst voor naasten geweest, om te leren hoe we haar konden helpen. Daar zei iemand iets wat ik nooit ben vergeten: “je kunt haar niet helpen, ze kan alleen zichzelf helpen.” Nu weet ik dat het waar is.
In onze familie zit het diep. We hebben allemaal een wat rare relatie met drank. Mijn broer en een van mijn zussen drinken elke dag, net als mijn moeder. Een andere zus en ik drinken juist helemaal niet. En dat maakt het ingewikkeld: wie zelf drinkt, voelt dat hij er weinig van mag zeggen. En wie niet drinkt, weet inmiddels: dit is wat het is, we kunnen haar niet helpen.
We zijn een hecht. Als Anne ergens om vraagt, staan we allemaal voor haar klaar. Maar juist daar zit ook het probleem. Het lukt ons niet om met z’n allen één lijn te trekken — tot hier en niet verder. Mijn moeder kan haar niet afwijzen en kan dus geen ultimatum stellen. Ik ben bang dat zij blijft faciliteren, en dat ik dat niet kan tegenhouden.
En het houdt niet op bij Anne. Een neef van ons is ook verslaafd. Mijn moeder praat erover met mijn tante, en die geeft dan goede raad — raad die ze zelf niet opvolgt. Ze weten van elkaar precies wat ze zouden moeten doen. Ook in de familie van mijn man, waar wij niet echt meer contact mee hebben, speelt alcohol een grote rol. Zijn broer is dronken van de trap gevallen, in coma geraakt en vier jaar later overleden. Mijn man zelf drinkt gelukkig niet.
“De keten is doorbroken. Bij ons stopt het.”
Daar ben ik dankbaar voor. Wij hebben onze drie jongens — ze zijn nu 24, 20 en 18 — opgevoed met het idee dat drinken niet vanzelfsprekend is, en zeker niet vóór je achttiende. Ze hebben geen problemen met alcohol. De keten is doorbroken. Bij ons stopt het.
Dat ik zo kan denken, heeft lang geduurd. Pas het afgelopen jaar lukt het me een beetje, en nog steeds doet het pijn. Mijn oudste zus denkt er net zo over. Zo zitten wij allemaal in ons eigen stadium van accepteren.
Het is een geleidelijk proces geweest. Als je van iemand houdt, wil je dat ze gelukkig en gezond is, en als je ziet dat dat niet zo is, wil je het veranderen. Maar op een gegeven moment besefte ik iets ongemakkelijks: een deel van waarom ik wil dat ze stopt, is dat ík me niet rot wil voelen om hoe het met haar gaat. Dat voelt egoïstisch. En tegelijk is het de waarheid. Weten en voelen zijn alleen altijd twee verschillende dingen. Je moet iets eerst écht ervaren en voelen voordat je je erbij neer kunt leggen.
“Het is niet onze pijn.”
Wat ik andere naasten zou willen meegeven: het is niet onze pijn. Zij drinken om hun eigen redenen, om iets te verdoven. Wij kunnen dat niet voor ze oplossen. De pijn die wíj voelen, is onze eigen pijn — omdat we zo graag willen dat het goed met ze gaat. Probeer je daarom meer te richten op je eigen leven, op de mooie dingen. Accepteer dat het is zoals het is. Meer kun je niet doen, hoe frustrerend dat ook is. Ik zoek er zelf afleiding in. En ik blijf, hoe pijnlijk alles ook is, tegen Anne zeggen dat we van haar houden. Als ze ooit echt wil stoppen, zullen wij haar allemaal steunen en helpen.
Schaam je niet. Waarom zouden we ons schamen? Het leven neemt soms rare wendingen. Dit hoort er nu eenmaal bij. Juist daarom vertel ik ons verhaal open en bloot, met onze echte namen. Verstoppen heeft geen zin. Anne is mijn zus, ik hou van haar, en dit is hoe het is.
Deel ook jouw verhaal en help daar een ander mee!
Heb jij ook een dierbare die verslaafd is? Jouw verhaal kan iemand anders helpen die nu in stilte worstelt. Deel het met ons — met je eigen naam of anoniem. Want praten helpt, en schaamte is niet nodig.
Heb jij een dierbare met een verslaving? Je bent niet alleen, er is hulp!
Wij bieden individuele ondersteuning, counseling sessies, workshops en meer aan!










